Denc Studio architecten -en studiebureau

VISIE - duurzaam bouwen - ervaring

Denc!-studio profileerde zich van bij haar oprichting als een leergierige en veranderingsbereide ‘vernieuwer’ en ambieert een moderne manier van werken waar innovatie steeds een doelstelling blijft: consequent, consistent en continu. Innovatie stelt de onderneming immers in staat ‘anders’ dan anderen te zijn. Onze bevragende, innoverende en grensverleggende attitude is een wezenskenmerk. Opdrachtgevers die niet energiebewust wensen te bouwen, kunnen bij denc!-studio geen klant worden. Daar waar deze ‘duurzame toegangscode’ in den beginne een gevecht tegen het financieel bestaansminimum veroorzaakte, draagt deze daadkrachtige houding heden bij tot het onderscheidend vermogen van het kantoor.

Denc!-studio neemt duurzaam bouwen ernstig en niet als een vrijblijvende oefening. Denc!-studio informeert/begeleidt alle klanten omtrent duurzaam/energiebewust/ecologisch bouwen, wat reeds mocht leiden tot een ruime ervaring/variatie in betreffende specialisatiegraad: van eengezinswoning tot appartement, houtskeletbouw tot massiefbouw, rijwoning tot vrijstaand, nieuwbouw tot verbouwing, dit alles met een diversiteit aan architectuur, ingezette technologieën en materialen.

VISIE - duurzaam bouwen - architectuur als een proces

Om culturele, ruimtelijke, klimatologische en fysische omstandigheden, maatschappelijke eigenheden en menselijke wensen en verwachtingen kwalitatief te kunnen beantwoorden moet architectuur als een proces tot stand komen.

Daarbij start de conceptvorming met een duidelijke communicatie teneinde in directe samenwerking de specifieke wensen van de opdrachtgever in kaart te kunnen brengen. Pas daarna kan het Programma-van-Eisen (PvE) worden vertaald tot een verantwoord geheel. Daarbij is het van essentieel belang een strategie voor duurzaam bouwen in een zo vroeg mogelijk stadium van planvorming op te nemen. Uiteindelijke (woon)kwaliteit, comfort en energiezuinigheid worden immers voor het grootste deel in de ontwerpfase vergrendeld.

VISIE - duurzaam bouwen - integrale benadering

Wil men tijdens de constructie-, gebruiks- en sloopfase slechts een minimale verstoring veroorzaken, dient het "duurzaam bouwen" best aangepakt van het “stedenbouwkundige” tot het “materiaal”-niveau. Daarbij mag duurzaam bouwen niet enkel worden benaderd vanuit milieu-opzicht, maar zijn de sociaal-culturele en economisch pijlers minstens even belangrijk. 

Ecologische duurzaamheid:

Heden verbruikt 20% van de wereldbevolking 80% van alle grondstoffen. Deze situatie is niet meer houdbaar. De oplossing schuilt in een integrale aanpak van het bouwproces waarbij de activiteiten van alle actoren kritisch dienen bekeken naar hun gebruik van milieu- en natuurbronnen zoals energie, grondstoffen, water, ruimte en productie van afval. Onnodig verbruik moet worden afgeremd; duurzame stromen aangemoedigd en het gebruik van eindige bronnen geoptimaliseerd.

‘Regelgeving’ is daarbij lang niet de enige oplossing; in de bouw barst het van de regels. Een zekere graad van “over-reglementering” leidt bij sommigen zelfs tot ontwijkgedrag. Belangrijker is hier de “persoonlijke” gedrevenheid van het ontwerpteam. Het lijkt ons in deze visie-nota weinig opportuun een kant-en-klare internet-steekkaart te kopiëren met isolatiematerialen en ventilatiesystemen. In deze, spreken onze referentieprojecten boekdelen.
Denc!-studio promoot/ondersteunt de energie-certificatie van projecten, als ultieme waardemeter en kwaliteitsbewaking. Externe erkenning kwam er ondermeer door het winnen van de Ecodomus-wedstrijd 2004.

Ruimtelijke duurzaamheid: stedenbouwkundige integratie, plan-typologisch onderzoek en architecturale waardigheid

Duurzaam bouwen is veel meer dan lemen wanden en zonnepanelen. Ware duurzaamheid dient het ecologische luik te overstijgen. Ook stedenbouwkundige integratie, architectonische kwaliteit, leefbaarheid en bruikbaarheid zijn belangrijk.
Welke is de baat van de maatschappij immers bij goed geïsoleerde, maar karakterloze woningen. Het is jammer te moeten vaststellen dat bepaalde zogenaamde eco-projecten van nauwelijks enkele jaren oud reeds moeten worden verbouwd omwille van een gebrek aan functionaliteit, karakter en/of ziel. Welke is dan de ecologische voetafdruk? De woningen van Le Corbusier of Frank Loyd Wright mogen dan wel niet zijn geïsoleerd; hun inherente architecturale kwaliteit zorgde er anders wel voor dat ze er nog steeds in alle glorie staan.
Gezien “duurzaam bouwen” maar slagkracht zal vinden bij een bredere marktintegratie, is het ook niet vies ervoor te zorgen dat een gebouw op alle fronten een prettige uitstraling heeft.

Sociaal-culturele duurzaamheid

De gebouwde omgeving heeft vanuit zichzelf een permanent karakter en dit staat in schril contrast met de snelheid waarmee de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen zich in de westerse maatschappij voltrekken. Tussen de levensduur van een gebouw en de vluchtigheid der menselijke activiteit bevindt zich een fundamentele tegenstelling. Omvang en samenstelling van het gezin zijn de afgelopen honderd jaar onmiskenbaar veranderd en daarmee ook de eisen die aan een woning worden gesteld.
Hoe reageer je op al die veranderingen? Een wegwerpgebouw of een gebouw dat zich zonder al te veel problemen laat aanpassen aan nieuwe functies? Ook in de toekomst mogen we ons immers verwachten aan nieuwe uitdagingen: we denken bv aan telewerken, zorgwonen ea. In dat opzicht zijn flexibele woningen een middel tot ontzenuwing van de paradox schuilend in het conflict tussen het statisch karakter van de gebouwde realiteit en de dynamisch woonwensen.

Zeker bij nieuwbouw dient nagedacht over de vraag hoe een “dierbaar gebouw” kan worden gemaakt; een gebouw dat de moeite waard wordt gevonden om honderd jaar of langer overeind te houden; ook als de oorspronkelijk functie/invulling er al lang niet mee toe doet.

Economische duurzaamheid

Het kan niet de bedoeling zijn dat architectuur nog enkel toegankelijk blijft voor de beter behoede burger.
Ook al hoort de term ‘financieel niet haalbaar’ eigenlijk niet thuis in het begrippenkader van duurzaam bouwen, is het toch niet realistisch te veronderstellen dat de investeringen vanzelf zullen plaatsvinden. Anderzijds moge het ook duidelijk zijn dat gezien de lange levensduur van een gebouw, de eigenlijke bouwkost niet het enige kostenplaatje is, maar ook de beheers- en verbruikskosten doorslaggevend worden. Op korte termijn kan dit deels worden toegeschreven aan de (deels) vermeden centrale verwarming; op lange termijn zorgen de lagere energiefacturen voor directe winst.
De kosten-baten-analyses van laag-energie-woningen en passiefhuizen leren dat deze gemeten over de gebruiksfase zelfs goedkoper zijn. Verder worden milieuvriendelijke investeringen in de ‘vergroening’ van het fiscale stelsel steeds beter gewaardeerd en gestimuleerd: ze komen in aanmerking voor belastingsverminderingen en premies. Ondermeer door de invoering van het verplichte energie-label, zullen energiebewuste woningen ongetwijfeld kunnen genieten van een hogere restwaarde in de toekomst.

Ook de “emotionele waarde” van een gebouw laat zich voor een deel ook economisch vertalen. Zo zal een ‘dierbaar/architecturaal_kwalitatief/flexibel gebouw’ minder snel worden gesloopt of gestript om te voldoen aan de eisen des tijds. Dankzij de langere levensduur wordt voorkomen dat de eventuele milieuwinst van milieuvriendelijke bouwmaterialen en energiebesparende maatregelen voortijdig weglekt.